goud

Posted by in Proza

“Koffie?”, vraagt ge mij lief – wanneer ge ziet dat de slaap zich nog altijd diep heeft genesteld in mijn lijf. Ik knipper langzaam en ge komt stilaan scherp(er) in beeld. Ge zit aan tafel de krant te lezen, in die ene streep gouden zonlicht die we ’s morgensvroeg altijd mogen verwelkomen in de keuken. Uw zachte lijf, gewikkeld in een zachte badjas. Uw blote voeten, kwetsbaar in zachte slippers. Alles aan u is zacht deze ochtend – in tegenstelling tot die verwoestende hardheid die ge zo vaak in u meedraagt.

Uw ogen schitteren – als ze niet blauw waren, zouden ze warmgoud zijn. Ze zijn groot en licht, alsof ze de zon zelf bevatten, op deze ochtend die zo mild en teder zijn start neemt. Ge zijt hier op uw gemak, in ons huisje. Die gedachte zorgt voor tijdelijke versnelling van mijn hartslag – gekoppeld aan het onwillekeurig optrekken van mijn mondhoeken.

“Dat dacht ik al”, glimlacht ge – want ge denkt dat mijn glimlach een rechtstreeks antwoord was op uw vraag, en niet zozeer een uiting van kinderlijk en onstuimig geluk om u zo te mogen zien.

Ge zijt niet vaak op uw gemak, en ge zijt niet vaak rustig. Maar hier, in uw streep gouden zonlicht, zijt ge exact wie ge wilt zijn.

Ge schenkt mijn koffie uit en ik verlies mezelf in een zinnenstrelende combinatie van gouden schitteringen, zachte lichamen en de geur van koffie. Ik reik mijn handen uit en ge geeft mij een gevulde tas, waarvan de warmte zich vriendelijk verspreidt doorheen mijn slaperige lijf. En dan, alsof ge echt wilt dat mijn hart zijn huidige verblijfplaats verlaat, trekt ge mij ook nog eens in een warme omhelzing – zo een die alleen gij kunt geven. En wanneer ik mijn hoofd op uw borst vlei, hoor ik enkel het gestage ritme van onze toekomst – een toekomst vol gouden schitteringen, zachte lichamen en de geur van koffie.