onderweg

Posted by in Proza

Ge zit in de auto naast mij en ik zit naast u in de auto. Starend naar buiten, door uw vuile ruit – naar allesbehalve wat er zich hierbinnen afspeelt. Naar de druppels die de nacht ontsieren en naar die ene eenzame wandelaar die zijn hond dringend moest uitlaten. Zijn ogen flikkeren onrustig naar ons en hij versnelt zijn pas. Ik ga ervan uit dat de spanning tussen ons tot ver buiten de wagen te voelen is. Hij slaat de hoek om en dat is jammer. Hij was namelijk de afleiding die ik zocht, het element buiten ons om tijdelijk mijn aandacht op te vestigen. Helaas.

Uw hand rust op de versnellingspook alsof ge alle momenten kunt vertrekken, maar dat doet ge niet. Net zoals ik, staart ge staalhard naar buiten. Maar dat zie ik niet, want ik weet dat als ik naar u kijk, er iets gaat moeten gebeuren. Ik ga afscheid moeten nemen of ik ga u iets moeten vertellen waar ge iets aan hebt. Maar dat doe ik niet en dat doet gij niet. Want afscheid nemen is geen optie, maar alles wat we wilden zeggen – dat is gezegd. Geen nieuwe informatie beschikbaar. Geen nieuwe opties om op tafel te leggen. De stilte eist zijn tol en in mijn hoofd gil ik het uit. Uw laatste woorden van enkele minuten geleden blijven door mijn hoofd spoken.

“Het is alles of niets. Ge gaat moeten beslissen.”

En hoewel mijn beslissing al een hele tijd geleden gemaakt is, draag ik een verbale blokkade met me mee. Een drempel die mij verhindert om de stap naar u te zetten – terwijl ik niets liever wil. Mijn vermogen om te praten is me tijdelijk afgenomen door de verlammende angst dat we een grove fout begaan. In mijn linkerooghoek zie ik uw hand zenuwachtig bewegen. Alsof uw lijf en uw hoofd aan het vechten zijn – wat waarschijnlijk ook het geval is. Meermaals open ik mijn mond om iets te zeggen, maar elke keer opnieuw ontdek ik dat er geen woorden klaarstaan om uit te rollen. Geen inhoud om te delen en geen zinnen die u wijzer gaan maken. Dus ik sluit mijn mond weer. Maar wat ik wel doe, is naar u kijken. En eigenlijk is dat alles wat ik vanaf het begin had moeten doen.

Uw ogen glinsteren van droeve frustratie en de radeloosheid straalt van uw gezicht. Ik lees de spijt van uw ultimatum op uw gezicht af, maar van de manier waarop ge uw lippen op mekaar klemt, leer ik dat ge uw woorden niet gaat terugnemen. Ge staat sterk in uw kwetsbare wankelheid. Uw blik verzacht wanneer mijn ogen de uwe vangen en ik zoals altijd afgeleid raak door die majestueuze lippen van u. Die afleiding zorgt voor zweem van een glimlach, vluchtend over uw gezicht. Voor minder dan een seconde licht ge volledig op – terwijl uw ogen zich vernauwen in speelse berisping.

De knoop in mijn maag lost – een minimaal gevoel van opluchting. Ik laat mijn voorhoofd rusten op uw schouder en ik worstel met de woorden die ik zo graag wil uitspreken, met de waarheid die zich al langer comfortabel heeft genesteld op mijn lippen.

“Ik…”

Maar het lukt niet. Ik kan het niet. Mijn barrière is nog niet bereid om afgebroken te worden, hoezeer ge ook aan ’t vechten zijt met mijn kilometers baksteen.

Maar, zoals zo vaak, doet ge iets wat ik niet had zien aankomen. Wat ik niet had kunnen zien aankomen.

“Ik ook van u.”