10. 18-7

Posted by in Proza

‘k Zou u willen vragen wat nu precies het probleem is. De deur dichtgooien, en mijn antwoorden opeisen, want ik weet dat gij die hebt. ’t Zou mij niets kunnen schelen, wat de anderen denken, en ik zou weten dat ’t u wel zou ambeteren. Ge zou mijn vragen ontwijken, er u misschien met een sarcastische opmerking vanaf willen maken, maar ik zou mijn been stijfhouden. ‘k Zou de waarheid uit u sleuren, want ik weet dat ge die kwijt wilt. ‘k Zou u pushen en pushen, u tot de uiterste grens van waanzin drijven, om u dan weer terug te halen. ‘k Zou vragen stellen waar ge zelf nog geen antwoord op hebt. ‘k Zou u dwingen om daar nu -ja, op dit moment- een antwoord op te formuleren. Omdat ik weet dat ge ’t diep vanbinnen eigenlijk wel weet. ‘k Zou roepen en tieren tegen u, en gij zou minstens even hard terugroepen, met een blik vol minachting in die ijzige ogen van u. Ge zou mij zeer willen doen, en mij geselen met zorgvuldig uitgekozen woorden. En ’t zou mij zeer doen, ja, ge zou slagen in uw opzet, maar ‘k zou niet toegeven aan die door u toegebrachte kwelling. Want ‘k zou weten dat ‘k er niet meer ver vanaf zou zitten, van een degelijk antwoord. Ge zou na een tijdje rustiger worden, en uw antwoorden zouden elkaar minder snel en dodelijk opvolgen. ‘k Zou mijn stem zachter laten worden, maar daarvoor niet minder dwingend. Heel misschien zou ‘k het zelfs aandurven om ne stap dichter te zetten, uw richting uit, en uw ogen zouden paniekerig mijn richting opschieten zoals ge dat wel eens meer kunt hebben, en ‘k zou mij daar ambetant bij voelen. Maar ik weet dat ge daar kracht uittrekt, want soms lijkt ’t alsof ge angst kunt ruiken, gelijk andere dodelijke roofdieren. ‘k Zou geen tweede stap zetten, maar voor de rest zou ‘k ook geen centimeter van u wijken en vooral niet breken. D’r zou al enkele seconden een zware stilte tussen ons hangen, die meer betekenis zou dragen dan de halve woordenboek die ge naar mijn hoofd gesmeten hebt daarstraks. ’t Zullen uw ogen zijn die nu vol vragen zullen zitten, niet zozeer de mijne.

Ge zou niet meer weten waar te blijven met uzelf en uw handen zouden nerveus met wat papier spelen. Het ritselen van papier en het geluid van uw en mijn zware ademhaling zouden het enige zijn wat de stilte zou doorbreken. Dan zou er ineens ne moment komen dat ge ’t papier kwaad van u afsmijt en mij woedend zou vragen wat mij eigenlijk bezielt en ik zou in uw gezicht smijten dat ’t niet echt mijn keuze is en dat ‘k er niks aan kan doen, waarop gij ongeduldig zou zuchten en met uw ogen zou rollen, gelijk ge dat zo goed kunt. Dat laatste zou mij mateloos irriteren en ‘k zou één of andere kinderachtige opmerking maken, wat uw smeulende lont alleen maar gevaarlijker zou doen opfikken. Ge zou uw handen wanhopig in de lucht gooien, of nee, ge zou ze waarschijnlijk in uw haar begraven –dat haar waar ’t zonlicht zo schoon op kan vallen- om dan met een vervaarlijke blik terug naar mij te komen want ge zou geweten hebben dat ‘k was afgedwaald met mijn gedachten. Ge zou zeggen dat ‘k niet zo mag kijken naar u, en ik zou sarcastisch reageren dat ik nu eenmaal de gewoonte heb om te kijken naar de mensen waar ik een conversatie mee voer, en gij zou waarschijnlijk een nog sarcastischer opmerking terug maken, want daar zijt ge sterk in. ‘k Zou waarschijnlijk zuchten en mijn geduld verliezen en één of andere giftige opmerking klaar hebben, maar die zoals altijd weer inslikken, want dat durf ik nogal eens doen als ’t op u aankomt. Heel misschien zou ‘k zelfs aanstalten maken om weg te gaan, omdat ik zou denken dat het een verloren zaak was. En heel, heel misschien zou ge mij tegenhouden door een hand op mijn onderarm en een zachte blik in uw ogen die ik niet ken. ‘k Zou er van onder de voet zijn en niet meer weten wat zeggen en gij zou stilletjes een opmerking maken over het feit dat ik niet zou weten wat te zeggen, want dat zou ge niet kunnen laten.

‘k Zou u voor de laatste keer vragen om te antwoorden op mijn vraag. En nu zou ge wél een antwoord klaar hebben.